Nieuws / Publicaties

Terug naar overzicht

Vanaf 1 februari 2017 - Gemiddeld 5 opleidingsdagen per werknemer met voltijds equivalent per jaar

De wet betreffende werkbaar en wendbaar werk hervormt en heft eveneens de huidige regeling inzake vorming op die bepaalde dat de totale inspanningen inzake opleiding van werkgevers uit de privésector 1,9% diende te bedragen van de gezamenlijke loonmassa van alle ondernemingen.  Deze regeling werd aldus vervangen door een nieuwe interprofessionele doelstelling van gemiddeld vijf dagen opleiding per jaar, per voltijds equivalent.  De nieuwe regels zijn op 1 februari 2017 in werking getreden. Deze regels zijn echter niet van toepassing op werkgevers met minder dan tien werknemers. De wet beoogt zowel formele als informele opleidingen (die rechtstreeks verband houden met het werk). Ze verduidelijkt dat het opleidingsaanbod betrekking kan hebben op materies inzake welzijn, enz. 

1. Beginselen 

De nieuwe wet bepaalt dat de interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 dagen opleiding per jaar, per voltijds equivalent, hetzij op sectoraal niveau, hetzij op individueel niveau kan geconcretiseerd worden.  

a) Concretisering op sectoraal niveau  

Inhoud van de collectieve arbeidsovereenkomst 

De doelstelling die erin bestaat gemiddeld 5 dagen opleiding per voltijds equivalent, per jaar te bereiken kan geconcretiseerd worden, hetzij door middel van een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst, hetzij door middel van een verlenging van een collectieve arbeidsovereenkomst gesloten voor de jaren 2013 tot 2016.  

Indien de sociale partners beslissen om een nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst te sluiten, moet die collectieve arbeidsovereenkomst verplicht voorzien in:  

* een opleidingsinspanning van gemiddeld twee dagen per jaar, per voltijds equivalent; en

* een groeipad waarbij wordt aangegeven in welke mate het aantal opleidingsdagen wordt verhoogd om de interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 opleidingsdagen per jaar, per voltijds equivalent te bereiken. 

Indien de sociale partners beslissen om een bestaande collectieve arbeidsovereenkomst te verlengen, moet die collectieve arbeidsovereenkomst verplicht voorzien in:  

* een opleidingsinspanning die minstens gelijkwaardig is aan de bestaande opleidingsinspanning op het niveau van de betrokken bedrijfstak;

* een groeipad waarbij wordt aangegeven in welke mate het aantal opleidingsdagen wordt verhoogd om de interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 opleidingsdagen per jaar, per voltijds equivalent te bereiken. 

De nieuwe collectieve arbeidsovereenkomst of de verlengde collectieve arbeidsovereenkomst moet ook een kader vastleggen voor de praktische verwezenlijking van deze opleidingsinspanning en voor de realisatie van het groeipad.  

Neerlegging en algemeen verbindend verklaring 

De nieuwe of verlengde collectieve arbeidsovereenkomst moet op de Directie van de griffie en de algemeen verbindend verklaring van de collectieve arbeidsovereenkomsten van de Algemene Directie Collectieve Arbeidsbetrekkingen van de Federale Overheidsdienst Werkgelegenheid, Arbeid en Sociaal Overleg neergelegd worden, ten laatste op 30 september van het eerste jaar van het interprofessioneel akkoord of bij ontstentenis van een dergelijk akkoord, het eerste jaar van de tweejaarlijkse periode gelijk aan de duur van een interprofessioneel akkoord.  

Die periode vangt voor de eerste keer aan op 1 januari 2017.  

De collectieve arbeidsovereenkomsten gesloten voor de periode 2017-2018 kunnen uitzonderlijk ten laatste op 30 november 2017 neergelegd worden op de Directie van de griffie, in plaats van 30 september.  

b) Concretisering door de instelling van een individuele opleidingsrekening   

Bij ontstentenis van een nieuwe of verlengde collectieve arbeidsovereenkomst kan de opleidingsinspanning geconcretiseerd worden door middel van het creëren van een individuele opleidingsrekening en het toekennen van een opleidingskrediet.  

* Het aantal dagen toegekend in het kader van een individuele opleidingsrekening kan in elk geval niet lager zijn dan het equivalent van 2 dagen per voltijdse werknemer.  

* De individuele opleidingsrekening moet ook in een groeipad voorzien om de interprofessionele doelstelling van gemiddeld 5 opleidingsdagen per jaar, per voltijds equivalent te bereiken.  

Wanneer de werknemer de opleidingsdagen waarop hij recht had, niet opgebruikt zou hebben, zullen de niet-opgebruikte opleidingsdagen worden overgedragen naar het daaropvolgende jaar, zonder echter zijn opleidingskrediet van het volgende jaar te verminderen.  

2. Afwijkingen en suppletieve regeling 

a) Afwijkingen en uitsluitingen 

De KMO’s of de werkgevers die minder dan tien werknemers tewerkstellen worden formeel uit het toepassingsgebied gesloten door de wet.  Deze uitsluiting is gerechtvaardigd door het feit dat in die structuren de opleiding vooral een informele vorm aanneemt.  

De wet voorziet ook in een afwijking voor de werkgevers die minimum tien maar minder dan twintig werknemers tewerkstellen. Dergelijke werkgevers vallen onder een afwijkend regime dat door de Koning bepaald moet worden.  

b) Suppletieve regeling 

Bij ontstentenis van een collectieve arbeidsovereenkomst die voorziet in de toekenning van opleidingsdagen zoals hierboven uiteengezet en indien de werknemer niet beschikt over een opleidingsrekening of een opleidingskrediet, heeft hij, vanaf 1 januari 2017, recht op gemiddeld 2 opleidingsdagen per jaar, per voltijds equivalent.  

De opleidingen kunnen door de werknemer gevolgd worden, hetzij binnen zijn gewone werktijden, hetzij buiten zijn gewone werktijden.  

Wanneer de opleiding buiten de gewone werktijden wordt gevolgd, geven de uren die daarmee overeenkomen recht op de betaling van het normale loon, zonder evenwel aanleiding te geven tot de betaling van een eventueel overloon.  

3. Bijkomende formaliteiten 

De werkgever zal rekenschap afleggen van de wijze waarop hij zijn verplichting aangaande de vorming van zijn werknemers is nagekomen door het invullen van de sociale balans.  

Vanaf 1 januari 2018 zal de nieuwe regeling geëvalueerd worden door de sociale partners die in de Nationale Arbeidsraad zetelen.  

Voor meer informatie hieromtrent, kan u http://www.werk.belgie.be/defaultNews.aspx?id=45797 raadplegen.

Bron : Art. 9 tot 21 wet van 5 maart 2017 betreffende werkbaar en wendbaar werk.

 

 

 

Terug naar overzicht

Handel Diensten & Industrie vzw
Erkend sociaal secretariaat voor werkgevers 980 bij MB 22-05-2002 BS 05-06-2002—ondernemingsnummer 0473.487.880.
Maatschappelijke zetel: Arbeidstraat 122 te 9300 AALST— Tel: 053/70.70.27— Fax: 053/70.71.07.
Bijkantoor: Kortrijksesteenweg 1006 te 9000 GENT— Tel: 09/244.00.10.— Fax: 09/244.00.11.
Bijkantoor: Ledeganckkaai 15 bus 002 te 2000 ANTWERPEN— Tel: 03/237.11.20.— Fax: 03/216.80.98.

De verstrekte informatie wordt u op vrijwillige basis verleend. We proberen steeds de juridische actualiteit met de grootste aandacht en zorgvuldigheid te behandelen. Gelet op onze middelenverbintenis als sociaal secretariaat, wijzen we elke aansprakelijkheid af voor schade van welke vorm dan ook die voortvloeit uit het gebruik van de aangeboden informatie. De aangeboden informatie is uitsluitend bestemd voor informatievergaring.